Gij zijt een ziek wijf.
We liggen samen op bed, of toch tenminste op ons zachte donsje van samenzijn.
Omdat je niet houdt van strelen, zweef ik muizig tegen je aan,
in het donker snuffel ik meer snor dan harig uw hele lichaam af.
Uw poes wordt meteen een goedkope metafoor,
maar ik zwijg en onze stilte gaat door.
Gij begint te spinnen.
Denkbeeldig dan. Ik voel uw gedachten ronken.
Er begint iets te ratelen in uw kop.
Uw motor slaat eindelijk aan:
kalm, gezapig en geleidelijk aan.
Van alle brandstof zijt gij diesel.
Uw preut zou kunnen pruttelen,
maar dat is spotten met mijn taal,
het is terug naar naast ons bed,
het is platter dan mijn vloer,
het is schaamte, maar dan duizend maal.
Ge denkt aan pompelmoes en fabrieken vol dode mannen,
aan bloemkoolsigaretten met grote groene vlammen.
Ge fantaseert over mij, Gerrit en nog een aantal mannen,
over hazel aan mijn noten en slagroom op uw prammen.
Ja gij zijt een ziek wijf.
Gij zijt een doodziek wijf.
En ge hebt ook kanker,
en nog een dag of vijf.
Ge ging dood met mijn liefde op uw mond,
een grijns in uw ogen
en een tatoeage op uw kont.
Net voor je stierf, vroeg ik wat je graag in 1500-voud zou hebben.
Je zei “Ik wil graag 1500 helften, omdat ik weet dat 750 ook al genoeg is.”

De dood van Eva Mouton?