Ik heb mij nog eens beziggehouden.

Er is één iets waar ik een hekel aan heb.
Neen, eigenlijk zijn het er meer.
Maar wat ik bovenal haat zijn mensen die hun wagen parkeren op een mindervalideplaats, terwijl ze daar het recht niet toe hebben.
Ik weet hoe het is.
20 minuten rondjes rijden om een parkeerplaats te vinden, dat is lastig.
Ik weet ook hoe het is om 2 uur rond te rijden en een parkeerplaats te vinden die zich anderhalve kilometer van uw bestemming bevindt.
Maar ik weet vooral hoe dat is met een rolwagen, iemand die niet kan lopen
of ja, zelfs met iemand met autisme. Deze personen hebben geen nood aan uw “het is maar voor twee minuutjes”.
Hun handicap “is maar voor het leven”.
Deze personen willen een parkeerplaats, dichtbij, omdat zij al lang niet meer kunnen -of zelfs nooit hebben gekund- waar u alleen maar gezonder van wordt: wandelen, stappen, normaal zijn.
Of ze kunnen het niet meer goed, zo mogelijk nog erger. U laat uw eigen grootmoeder wandelen terwijl haar dat alleen maar meer pijn doet?
Neem je mijn plaats, neem dan ook mijn handicap.
Het zou moeten raken, en dat doet het ook.
Zou u in elkaar geslagen willen worden tot u niet meer kan lopen?
Dat doet ook pijn.
U bent De Nieuwe Eikelist.
U bent lui en fervente aanhanger van het Eikelisme.
U bent een eikel.
Ik ben een zelfverklaarde Strijder Tegen Het Nieuwe Eikelisme.
Als ik de tijd heb, maar geen materiaal, dan zet ik uw ruitenwissers rechtop. Dat hebt u misschien al eens gezien. Dat is om u wakker te schudden. Om u uit uw auto te laten komen en te laten kijken naar de borden om u heen. U hebt het misschien al eens gemerkt, dat uw ruitenwissers rechtstonden. Dan bent u een Eikel, daar mag u van op aan.
Als ik tijd én materiaal heb, dan laat ik een concrete boodschap na.
Zoals deze:
Met daarin een keurig papiertje waarop staat: MONGOOL
Alstublieft mensheid.
Oh, en als u zich ook mateloos ergert, volg dan vooral mijn voorbeeld, zet ruitenwissers recht of laat liefdevolle boodschappen na.
En stuur ze naar mij door, dat is altijd fijn: poeslievegorilla@gmail.com .
Liefs,
Uw Strijder
We liggen samen op bed, of toch tenminste op ons zachte donsje van samenzijn.
Omdat je niet houdt van strelen, zweef ik muizig tegen je aan,
in het donker snuffel ik meer snor dan harig uw hele lichaam af.
Uw poes wordt meteen een goedkope metafoor,
maar ik zwijg en onze stilte gaat door.
Gij begint te spinnen.
Denkbeeldig dan. Ik voel uw gedachten ronken.
Er begint iets te ratelen in uw kop.
Uw motor slaat eindelijk aan:
kalm, gezapig en geleidelijk aan.
Van alle brandstof zijt gij diesel.
Uw preut zou kunnen pruttelen,
maar dat is spotten met mijn taal,
het is terug naar naast ons bed,
het is platter dan mijn vloer,
het is schaamte, maar dan duizend maal.
Ge denkt aan pompelmoes en fabrieken vol dode mannen,
aan bloemkoolsigaretten met grote groene vlammen.
Ge fantaseert over mij, Gerrit en nog een aantal mannen,
over hazel aan mijn noten en slagroom op uw prammen.
Ja gij zijt een ziek wijf.
Gij zijt een doodziek wijf.
En ge hebt ook kanker,
en nog een dag of vijf.
Ge ging dood met mijn liefde op uw mond,
een grijns in uw ogen
en een tatoeage op uw kont.
Net voor je stierf, vroeg ik wat je graag in 1500-voud zou hebben.
Je zei “Ik wil graag 1500 helften, omdat ik weet dat 750 ook al genoeg is.”
“Ik heb u gemist. Ik heb u ontzettend hard gemist. Ik heb met mijn tweeloop recht tussen uw ogen gemikt en toch heb ik u gemist. En wel heel erg hard.”
Hij schreef het heel netjes, met een gemillimeterde precisie in rode inkt, want welke andere kleur kon er beter zijn bloederige haat uitdrukken die hij sinds precies 17 dagen voor haar voelde. Ze bedroog hem 18 dagen geleden, maar hij had het toen even te druk met het haten van zijn eigen ellendige bestaan, dus is hij haar pas een dag later beginnen verafschuwen. Alzheimer. Deus Ex Machina.
Einde.
‘Hoe veel beteken ik voor u?’
‘Niks’
‘Hoe veel precies?’
‘Gij, gij zijt nog geen tachtigste van mij. Als wij één waren, dan waart gij nog niet eens de helft van ons. Ik ben een breuk en gij zijt een nul in mijn noemer: gij moet altijd vanboven en gij wilt dat niet. Maar het kan niet anders. Ge wilt tegelijk vier en een priemgetal zijn. Ge zijt een twaalf in al uw onevenheid. Gij hebt borsten als een platte acht en ik een vreemd gevoel tot de vijfde macht. Het is haast wiskundig: gij en ik, wij zijn 0 en ∞, ik ben alles en gij zijt niks.
Gij zijt nog geen tachtigste van wat wij nooit zijn geweest.’
‘…’
’2-1=0′
Maandag sta ik, voor het eerst sinds ongeveer een jaar, terug op een podium.
U kan mij een -of als ik durf: meer dan één- tekst horen lezen bij De Sprekende Ezels in Leuven.
Café De Metafoor, dat is waar u om 20u30 moet zijn.
Wat hebt u anders te doen op een koude maandagavond, geef toe.
En verder kan u ook nog steeds een kijkje nemen bij mijn tekeninkjes.
Gewoon maar omdat ik zo graag reclame maak.
‘Wat is er eigenlijk tussen ons?’
‘Er is weinig.’
‘Wat is er dan wel?’
‘Er is vooral veel vel. Het schuurt zich elke keer tussen ons in. Het lijkt de bewaker van mijn genegenheid. Ik wou dat we allebei geen huid hadden, zodat ik mijn gevoelens rechtstreeks in die van u kon duwen, zonder me een weg te hoeven praten door uw lijf vol valstrikken. Eén verkeerd woord en uw mond hoest een stroom vol haat, één verkeerde beweging en uw benen klappen toe. Ik ben een mug en gij zijt een olifant. Ik wil u prikken, een beetje van u drinken en u achterlaten met een klein bultje vol lieve woorden. Maar gij zijt gepantserd tegen mijn pogingen, hoe ontwapenend ze ook zijn.
Ik wil van mijn mug uw olifant maken.’
‘…’
‘Het is lastig om te leven met te veel vel tussen ons in. Ik vil je. Ik vil je zo hard.’
Ik was erbij, de dag dat Sinterklaas stierf.
Hij was al langer terminaal, dat kon elk kind zien. Over de jaren heen heeft hij zich talloze malen gekloond (in de ijdele hoop zijn jeugdige statigheid eeuwig te bewaren). Maar zelfs kleuters konden door zijn vermomming heen zien. Waar ooit een stevige volwitte baard groeide, zweeft er nu een spleet tussen kin en baard. Ook zijn handschoenen zijn hem te groot geworden, een duidelijk teken dat de Sint op een spijtig retour is.
Voor al wie het nog niet wist: de Sint is dood, hij is niet meer, hij is een ex-Sint. En ik was erbij, op 5 december 1998.
Ik was 6 jaar en met een heilig geloof in de man ging ik slapen, voor zover een kind van zes op de vooravond van de dood van een held kan slapen.
Want je kon het voelen. Wij verkeerden in de luxe dat we enkele dagen voor De Komst al eens ons schoentje mochten proberen en dan liet de man er een klein presentje achter, een voorproefje van zijn gekende staaltje nachtwerk. Maar de afgelopen nachten leek het alsof een zwaar ondervoede schijnheilige onze schoorsteen had verkracht: de tippen van onze tenen waren afgeknabbeld en onze zolen nat van het kwijl, alsof een stervende hond zich nog een laatste keer tegoed had gedaan aan zijn lievelingsbrokken, maar zich halverwege verslikte in een beetje te veel dood.
Het dorp werd al enkele weken geteisterd door een plaag van inbraken, door mijn vader steevast afgeschreven op “die Zwarte Buitenlanders”. Ongewild versterkte mijn vader mijn liefde voor de underdogpositie van Zwarte Piet, ik begon stiekem te supporteren voor de Zwarte Buitenlanders, want wie konden zij anders zijn dan de zwartgeblakerde helpers van de man uit Spanje? Ik begon ‘s nachts briefjes aan mijn raam te hangen, met daarop boodschappen als “Hé, Zwarte, hier moet je zijn!”, “Breek bij mij in, vuile neger.” (Om niet te veel achterdocht te wekken als mijn vader me zou betrappen zorgde ik ervoor dat de boodschappen toch een zekere politiek incorrecte notie hadden.)
En toen gebeurde het.
De nacht van 5 op 6 december 1998.
Mijn vader hoorde gestommel aan de deur, ik hoorde Zwarte Piet in ons huis.
Mijn vader ging kijken, ik stond op.
Mijn vader schoot een man in de tuin neer, ik ging kijken.
Mijn vader wandelde voldaan terug naar binnen, ik zakte zo dramatisch als voor een zesjarige haalbaar door mijn knieën en huilde het water dat ik normaal investeer in bedplassen er helemaal uit.
Sinterklaas lag in onze tuin met een dooie Piet, een gebroken staf en een gat in zijn tabberd.
Hij bloedde amper, daar was hij tenslotte te heilig voor.
Ik heb de coolste pa ter wereld.
Hij durfde me niet te vertellen hoe hard hij, zes jaar lang, tegen me gelogen had,
en ensceneerde daarom De Dood Van Een Held.
Ik ben Alex. Ik leef al dertien jaar en heb nog nooit pijn gehad in mijn rechtervoet.
Als je aan mijn broer vraagt om me te tekenen, dan geeft hij je dit:
Ik hou van het propere gevoel na een wattenstaafje in mijn oor, het geklik en de voldoening van een nagelknipper en badkamers in het algemeen. Als ik later een huis bouw, dan moet het in de vorm van een badkamer zijn. Dan zijn mijn bedden wat nu de ranzig vochtige toilettapijtjes zijn, dan heb ik muren van douchegordijn en de regen wordt een grote, boven de wereld uit zwevende douchekop.
Vrouwen vind ik ronduit opwindend. Alles aan een vrouw doet mijn lijf tintelen van mijn kop tot in de vijf tenen die ik tel. Maar van naakte vrouwen moet ik niks hebben. Je moet weten dat ik even veel bloed heb als een normale jongen van dertien, maar -en dat is het nu net- ik heb één been minder om het door te pompen. Als ik dan een erectie krijg, stampt mijn hart een ondraaglijke hoeveelheid bloed mijn kruis in zodat ik met een hevig rood aangelopen jongeheer mijn allerbest doe om te doen alsof mijn neus bloed. Meestal verlies ik twee minuten later het bewustzijn om vier minuten later te ontwaken met een ijskoud washandje rond mijn geslacht gedrapeerd en een ongerust grijnzende moeder of leerkracht hurkend naast mij.
Maar dat ik geen rechterbeen heb, dat deert me niet hoor.
Ik ben niet arm, ik koop wel een been. Later. Als ik in een badkamer woon.
Het is zomer en ik wil sneeuw.
Ik lig met drie vrienden op warme stenen in het midden van een winkelstraat. Rond ons marcheren plastic en kartonnen zakken vol koopjes. Het kan ons niks schelen wat die minachtende blikken van ons denken, wij zijn tenslotte bijzonder. Wij kijken naar de echte hemel, niet naar het paspoppenhiernamaals naast ons. Ik staar heel hard naar zo veel mogelijk kinnen van zo lelijk mogelijke mensen die ons passeren, ik hoop dat mijn blik hun kin omhoog duwt zodat ook zij het wonder aanschouwen dat wij van op deze straat zo goed gade kunnen slaan. Er vormen zich wolken op deze akelig perfecte dag, ik zie oceanen aan waterdampen samenkoeken tot één grote grijze wolkenmassa.
En dan weten we wat we willen doen. Ik klem mijn hand rond de glazen bol in mijn broekzak. Ik voel dat mijn kameraden hetzelfde doen, allemaal grijpen we naar het klein legertje glazen bollen in onze broekzakken. Voorzichtig haal ik de bol uit m’n broek, ik schud er heftig mee zodat de sneeuw in een wervelende golf rond het sneeuwmannetje dwarrelt. We schudden tot er schuim is. En dan barst het los. We gooien al het glas dat we meehadden naar elkaar, dit is een glazen sneeuwballengevecht. Als je snel genoeg bukt, overleef je misschien iets langer, want er zullen mensen sterven in dit gevecht, dat weten we nu al, drie seconden na het begin ervan. Ik duik weg achter een corpulente man met een ijzige hoed en sluip zo achter de rug van de ene papzak naar de andere. Als er iets is wat ik geleerd heb uit vorige gevechten, dan is het dat dikke mensen goede schilden zijn. De man voor mij zijgt met een dof gilletje neer, ik twijfel even om zijn zakken te checken op munitie, maar de kans dat je kitsch vindt in de binnenzakken van vetzakken is te verwaarlozen. Als in een goedkope actiefilm rol ik mezelf tot achter een gesneuvelde paspop en wanneer ik mij hoofd even optil om te kijken waar mijn brothers in arms zich bevinden, raast er een speer langs mijn hoofd en plant zich neer in de enkel van De Dikke Man Die Veel Te Vroeg Stierf. Speren, dat zijn bij ons trouwens de pieken voor op kerstbomen. Vergeef mij als ik chaotisch ben. Het gevecht is 7 minuten geleden en ik bloed nog aan mijn oren, knieën en uit mijn mond, begrijpt u.
Na de speer was het mijn beurt. Ik griste snel een dansend kerstmannetje uit mijn rugzak en plantte het tussen De Dikke Man Die Veel Te Vroeg Stierf en mijn paspopschild. Het werkte: mijn tegenstander keek vlug om en begon onbedaarlijk te lachen, want hoe De Dansende Kerstman is het hoogtepunt van de Kerstkitsch. De Dansende Kerstman is voor ons wat een atoombom is voor een oude Japanner. En lachen. En toen, sneller dan de tijd die lichtjes nodig hebben om aan te gaan nadat je de schakelaar over hebt gehaald, barstte er een joekel van een sneeuwbol kapot tegen zijn slaap. Hij slaakte een doodskreet en viel toen, zichzelf hopeloos kwetsend, op de schervenzee neer.
Zo stierf mijn broer, vriend en oorlogsmakker.
8,5 minuten geleden, begrijpt u.
Vechten met kitsch kan gevaarlijk zijn, echt waar.
door hun ogen